‘Veel patiënten benutten keuzemogelijkheden in de zorg nog niet’

Bijna de helft heeft het gevoel weinig tot geen invloed te hebben op de keuze voor een zorgverlener

Patiënten stellen zich vaak nog afwachtend op in hun zorgtraject. Wanneer patiënten worden doorverwezen voor een behandeling, volgt de meerderheid dit direct op. Zonder zelf te onderzoeken of er alternatieven zijn die qua locatie, kosten of wachttijd beter bij de persoonlijke situatie passen. Dit blijkt uit onderzoek van Kantar Public (voormalig TNS NIPO), in opdracht van Zilveren Kruis, onder ruim 1400 patiënten die het afgelopen jaar een behandeling hebben gehad.

Invloed op behandelkeuzes
Waar komt de afwachtende houding van patiënten vandaan? Stef Groenewoud, gezondheidswetenschapper en verbonden aan Radboud UMC Nijmegen: “Veel patiënten hebben een groot vertrouwen in hun huisarts en leggen daarom bewust de regie bij hem of haar neer. Mijn advies is, gebruik dat vertrouwen om samen het gesprek aan te gaan over de keuzes binnen het zorgtraject.” Uit het onderzoek blijkt echter dat veel mensen het gevoel hebben nauwelijks tot geen invloed te hebben op de keuzes voor een zorgverlener. “De vraag is, hebben zij de invloed niet, of nemen ze die niet? Ik neig naar het laatste. Dit herken ik uit eigen onderzoeken en zie ik ook terug in dit onderzoek.” Veel mensen weten wel dat er verschillen zijn tussen zorgverleners, zoals in wachttijd en kosten. Toch kiezen de meeste patiënten, op basis van deze verschillen, er niet voor om naar een andere zorgverlener te gaan. En dat is opvallend.

Niet bewust van keuzemogelijkheden
Maar niet iedereen weet dat er verschillen zijn tussen zorgverleners, als het gaat om zaken als wachttijden en kosten. Bij een vijfde tot een kwart van de patiënten was dit voorafgaand aan de behandeling onbekend. “Een niet te onderschatten percentage”, stelt Christine Rompa van Zilveren Kruis. “Dit betekent dat er nog veel te winnen valt. Om patiënten op de juiste manier te informeren, maar ook om hen bewust te maken dat er iets te kiezen valt. Het is belangrijk dat mensen zich verdiepen in hun zorgtraject en hierin gerichte keuzes kunnen maken. Samen met hun arts.”

Hulp bij het maken van zorgkeuzes
De arts blijft dus voor veel mensen terecht een belangrijke bron van informatie. Toch worstelen patiënten soms nog met praktische vragen bij hun zorgtraject. Want is er misschien toch een zorgverlener waar men sneller behandeld kan worden? Of goedkoper? En waar vind ik die? Rompa: “In de Zorgverkenner maken we onder meer inzichtelijk wat de prijs, wachttijd en kwaliteit is. Met dit online hulpmiddel zetten we een belangrijke stap om zorg meer inzichtelijk te maken.”

Belangrijkste resultaten uit het onderzoek
-44% heeft het gevoel nauwelijks tot geen invloed te hebben op de keuzes voor een behandelaar
-58% volgt het advies van de huisarts direct en kijkt niet zelf waar zij sneller of goedkoper behandeld kunnen worden
-46% wist voor de behandeling niet precies wat de kosten zouden zijn
-32% wist vooraf niet precies wat de wachttijd voor de behandeling zou zijn
-26% vindt de wachttijd tussen het eerste gesprek en de behandeling te lang
-27% wist voordat de behandeling plaatsvond, dat de kosten per behandelaar kunnen verschillen
-21% was niet op de hoogte zelf te kunnen bepalen waar behandeld te worden

50-plussers onvoldoende bewust van risico’s vitamine tekorten

Tijdens de 50PlusBeurs is afgelopen week onderzoek gedaan naar de kans op vitamine tekorten en het gebruik van vitamines. Meer dan de helft van de ondervraagde 50-plussers is niet op de hoogte van risico’s op tekorten aan vitamines op oudere leeftijd. Het verhoogde risico op een vitamine B12 tekort, het ontstaan van vitamine- en/of mineralen tekorten bij medicijngebruik en het opvolgen van het advies van de Gezondheidsraad voor vitamine D gebruik kwamen aan bod.

Uit het onderzoek is gebleken dat 54% van de vrouwen tussen de 50-70 jaar en 47% van de mannen en vrouwen boven de 70 jaar zich niet houdt aan het advies van de Gezondheidsraad om extra vitamine D in te nemen. 54% weet niet dat vitamine B12 bij ouderen minder goed wordt opgenomen, waardoor tekorten kunnen ontstaan. Van de 900 ondervraagden gebruikt 51% dagelijks medicijnen. Ruim de helft van alle ondervraagden is niet bewust dat langdurig gebruik van specifieke medicijnen de opname van voedingsstoffen kan remmen en kan leiden tot vitamine- en/of mineralen tekorten.

Specifiek medicijnengebruik kan opname van voedingsstoffen remmen¹ ²
Het gebruik van bepaalde medicijnen kan neveneffecten hebben, zoals verlaging van opname van stoffen uit voeding, verminderde eetlust, verandering in de stofwisseling en verlies van voedingsstoffen via urine. 51% van de deelnemers gebruikt dagelijks medicijnen en 54% van alle ondervraagden weet niet dat langdurig medicijngebruik de opname van voedingsstoffen kan remmen. Mogelijke vitamine tekorten die kunnen ontstaan zijn:

·         metformine (medicijn voor ouderdomsdiabetes – mogelijk tekort aan: vitamine B12, foliumzuur

·         maagzuurremmers – mogelijk tekort aan: magnesium

·         plastablet (verlagen bloeddruk) – mogelijk tekort aan: kalium, magnesium, vitamine B1, zink

·         bij gebruik van meer dan 5 medicijnen tegelijk – mogelijk tekort aan: vitamine D

·         corticosteroïden/bijnierschorshormoon (ontstekingen en bij reacties van het afweersysteem) – mogelijk tekort aan: kalium, foliumzuur, magnesium, vitamine B1, zink, calcium, chroom en vitamine D

Uit recente gegevens van Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) blijkt dat 65-plussers globaal gemiddeld 4,3 verschillende geneesmiddelen gedurende een heel jaar gebruiken.

Vitamine B12 tekort komt vaker voor bij ouderen
52% in de leeftijdsgroep van 50-60 jaar, 51% van 60-70 jaar en 55% ouder dan 70 is niet op de hoogte van het verhoogde risico op een vitamine B12 tekort. Het lichaam neemt de vitamine, naar mate de leeftijd vordert, minder goed op. Vooral mannen (62%) weten dit niet. Een vitamine B12 tekort kan leiden tot vermoeidheid, prikkelbaar zijn en neurologische klachten. De vitamine kan onder andere fitheid en concentratie gunstig beïnvloeden.

Vitamine D
24% van de vrouwen tussen de 50-70 jaar geeft aan 10 microgram (mcg) vitamine D te slikken, conform het advies van de Gezondheidsraad en 16% slikt een hogere dosering. Bij de 70+ mannen én vrouwen volgt 19% het advies van 20 mcg vitamine D op en kiest 11% voor een hogere inname. Sommigen van de ondervraagden slikt af en toe vitamine D of gebruikt dit alleen in de winter.

Gezondheidswinst voor ouderen
Met vitamines is veel gezondheidswinst te behalen. Het kan ouderen helpen om fit te blijven en ze kunnen met supplementen zelf werken aan een goede gezondheid. Uit onderzoek is gebleken dat het gebruik van calcium en vitamine D het risico op een gebroken heup met 30% verlaagt³. Vitamine D is bijvoorbeeld nodig voor sterke botten en tanden, maar is ook belangrijk om de weerstand en de spierkracht op peil te houden. Ook voor mensen die een winterdipje hebben of wat neerslachtig zijn, kan extra vitamine D ondersteuning bieden.

Informatie over supplementen

Supplementinfo.nl is een onafhankelijk kenniscentrum voor voedingssupplementen. Bezoekers vinden er informatie over de werking van supplementen en welke supplementen wanneer nuttig zijn. In het supplementen ABC en het gezondheids ABC staat informatie per supplement of gezondheidseffect. Een andere manier om te ontdekken wat voor jou een goede keuze is, is de Schijf voor jouw Lijf. Mensen kunnen aan de hand van persona’s waar ze zich in herkennen, ontdekken waar specifieke behoeftes voor voedingssupplementen voor hen persoonlijk liggen.

Bronnen:
¹ Natural Medicines. (2017, 17 mei). Interaction Checker [Food, Herbs, Supplements], Nutrient Depletion. https://naturalmedicines.therapeuticresearch.com/

² Stargrove, M.B., Treasure, J., McKee, D.L. (2008). Herb, Nutrient, and Drug Interactions: Clinical Implications and Therapeutic Strategies (1e ed.). St. Louis, Missouri, United States: Mosby Elsevier.

³ Weaver, C. M., et al. “Calcium plus vitamin D supplementation and risk of fractures: an updated meta-analysis from the National Osteoporosis Foundation.” Osteoporosis International 27.1 (2016): 367-376, https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4715837/

Bemoeien darmbacteriën zich met ADHD?

Onderzoekers van het Radboudumc, Donders Instituut en NIZO hebben een mogelijk verband gevonden tussen de (verhoogde) activiteit van bepaalde darmbacteriën en activiteit in de hersenen. Bij mensen met ADHD vonden ze een grotere hoeveelheid bacteriën die via dopamine de beloningscentra in de hersenen minder gevoelig zouden kunnen maken, een essentieel kenmerk van ADHD. Het is de eerste keer dat deze relatie is gevonden. Meer onderzoek is nodig om de relatie te bevestigen en het oorzakelijk verband op te helderen.

Elk mens wordt bewoond door miljarden micro-organismen, die per locatie sterk van samenstelling en aantal kunnen verschillen. In de neus leven bijvoorbeeld weer hele andere groepen micro-organismen dan op de huid of in de darmen. Het wordt steeds duidelijker dat het microbioom, zoals het geheel van deze micro-organismen wordt genoemd, ook een rol kan spelen bij ziekte en gezondheid. Variaties in het microbioom zijn bijvoorbeeld al in verband gebracht met darmziekten, reumatoïde artritis en eczeem.

Darm praat met hersenen
Onderzoekers van het Radboudumc, Donders Instituut en NIZO hebben gekeken naar verschillen in de darmbacteriën van jongvolwassenen met en zonder ADHD. Bovendien onderzochten ze of eventuele verschillen iets te maken hebben met de manier waarop de hersenen van beide groepen functioneren. Het onderzoeksidee klinkt misschien wat vreemd, maar is zeker niet uit de lucht gegrepen. ADHD is een stoornis in de hersenontwikkeling. De stoornis hangt samen met afwijkingen in de dopamineverwerking, de beloningsmechanismen en de onderliggende neurologische ‘bedrading’. De vraag is: wat voor invloed de darmbacteriën daarop zouden kunnen hebben?

Beloning
“Tegenwoordig is er veel interesse voor de zogenaamde hersen-darm-as, omdat die twee organen elkaar kunnen beïnvloeden”, zegt Tom Ederveen, onderzoeker in het Radboudumc. “Via die as zou het microbioom invloed kunnen uitoefenen op de hersenen, en vice versa. Vandaar ons onderzoek, waarbij we voor het eerst heel breed naar het microbioom in de ontlasting van vele ADHD-patiënten en gezonde controles hebben gekeken.” Daarnaast kregen deelnemers een specifieke taak voorgeschoteld, die verschillen aan het licht brengt over hoe hersenen met beloning omgaan. Verschillen die met een hersenscan in beeld zijn te brengen. Esther Aarts, onderzoeker in het Donders Instituut en met Ederveen de eerste auteur van het onderzoek dat gepubliceerd is in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS ONE: “We weten uit eerder onderzoek dat deze beloningstaak sterk afhankelijk is van de hersenstof dopamine, en dat beloningseffect kunnen we met een hersenscan zichtbaar maken. Bovendien weten we ook, dat de beloningsgebieden bij ADHD-patiënten over het algemeen minder worden geactiveerd bij deze taak dan bij vrijwilligers zonder die diagnose.”

Dopamineproducent
Het onderzoek, geleid door Sacha van Hijum en Alejandro Arias Vasques, laat zien dat in de darmen van vrijwilligers met ADHD méér bacteriën zitten die een stof produceren die kan worden omgezet in dopamine, dan bij gezonde vrijwilligers. Bij de mensen bij wie ook een hersenscan was gemaakt, is vervolgens gekeken of dat bacteriële verschil bij hen ook verschil in de hersenenactiviteit liet zien. Ederveen: “Deelnemers met en zonder ADHD die meer van die bacteriën in hun darmen hebben, vertonen inderdaad minder activiteit in de beloningsgebieden van hun hersenen, een essentieel kenmerk van mensen met ADHD. We lanceren daarom het idee dat die ‘bacteriële stof’ via het bloed in de hersenen terecht kan komen om daar – na omzetting in dopamine – de hersenenfunctie te beïnvloeden. Of zo’n oorzakelijk verband werkelijk bestaat, moet in nieuwe en grotere studies verder worden uitgezocht.”

Bacteriën inzetten
Dit type onderzoek, waarbij gekeken wordt naar de interactie tussen bacteriën en processen in de mens, wordt steeds vaker uitgevoerd. De eerste, interessante resultaten van dit soort hersen-darm-as onderzoek, moeten worden bevestigd door ander vervolgonderzoek. Bij voorkeur met grotere aantallen mensen, waardoor de resultaten aan betrouwbaarheid winnen. Aarts: “Dit type onderzoek spreekt ook erg tot de verbeelding: als bacteriën invloed uitoefenen op gezondheid en ziekte van de mens, dan kunnen we de mens in de toekomst misschien beter en gezonder maken door de samenstelling van zijn minuscule bewoners gericht bij te sturen.”

Publicatie in PLOS ONE – Gut microbiome in ADHD and its relation to neural reward anticipation.
Esther Aarts, Thomas H. A. Ederveen, Jilly Naaijen, Marcel P. Zwiers, Jos Boekhorst, Harro M. Timmerman, Sanne P. Smeekens, Mihai G. Netea, Jan K. Buitelaar, Barbara Franke, Sacha A. F. T. van Hijum, Alejandro Arias Vasquez