Werknemers na een burn-out: ‘werkgever leert er niet van’

Wanneer een werknemer van de trap valt, wordt de trap veiliger gemaakt. Maar wanneer een werknemer terugkeert na een burn-out, wordt vaak niets gedaan om een nieuwe burn-out te voorkomen. En dat is vreemd. Want een burn-out is ook een bedrijfsongeval, vindt 65 procent van de werknemers die zelf een burnout heeft gehad. Dit blijkt uit onderzoek van Zilveren Kruis, uitgevoerd door Kantar Public. Wat kunnen werknemers of werkgevers doen om een nieuwe burn-out te voorkomen?

Te vaak wordt er alleen naar de werknemer zelf gekeken wanneer hij of zij een burn-out heeft gehad, stelt Arnold Bakker, hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie aan de Erasmus Universiteit: “De werknemer krijgt een coach en gaat bijvoorbeeld op cursus mindfulness. Allemaal gericht op het beter omgaan met stress. Terwijl er meestal ook echt iets aan de werkzaamheden en omstandigheden binnen de organisatie zelf moet veranderen om een nieuwe burn-out te voorkomen. Door bijvoorbeeld meer hulpbronnen te bieden zoals afwisseling in werkzaamheden of constructieve feedback. Of door mensen meer vrijheid te geven in de manier waarop ze hun werk invullen. De leidinggevende speelt dus een belangrijke rol in het omgaan met een burn-out.”

Bedrijf ziet burn-out als incident
Uit het onderzoek komt naar voren dat slechts 33 procent van de mensen die een burn-out heeft gehad, aangeeft dat hun werkgever heeft geleerd van de situatie. 54 procent is hier niet van overtuigd. Volgens Bakker is dat gebrek aan vertrouwen niet zo gek: “In veel gevallen verandert er namelijk ook maar weinig als mensen eenmaal weer gere-integreerd zijn. Het ontbreekt sommige leidinggevenden nog te veel aan zelfreflectie wanneer iemand uitvalt. Moeten wij onze manier van werken aanpassen? Die vraag stellen werkgevers maar zelden. De burnout wordt vaak onterecht gezien als incident.”

Zet burn-out hoog op de agenda
Meer regelgeving dus als het gaat om burn-out? Juist niet, volgens Jan-Willem Evers, directeur bij Zilveren Kruis en onder meer verantwoordelijk voor de zakelijke markt. “Daar zitten bedrijven ook helemaal niet op te wachten. Regeltjes voorkomen ook geen burn-out. Het gaat er veel meer om wat je doet, niet wat je opschrijft. Soms hebben we de neiging te denken: het ligt aan jou. We gaan jou helpen zo snel mogelijk de draad op te pakken en te leren hoe je met stress om kunt gaan. Maar dat is vaak symptoombestrijding. Ik roep bedrijven op om zichzelf ook de vraag te stellen wat ze kunnen doen om stress en burn-out te voorkomen. Door onze kennis over burn-out te delen, helpen we werkgevers dit onderwerp hoog op de agenda te zetten.”

Bang voor terugval
Opvallend is dat 1 op de 3 werknemers die re-integreert bij zijn werkgever het niet of nauwelijks heeft gehad over een eventuele terugval. Terwijl dit risico wel op de loer ligt als er niks verandert. “Dit ligt ook aan de afhankelijkheidspositie waarin werknemers vaak zitten. Men is bang dat de eigen positie op het spel komt te staan”, verklaart Bakker. Dit blijkt ook uit de schroom die sommige mensen hebben om stress bespreekbaar te maken. Bijna 30 procent ervaart weinig tot geen ruimte om een terugval bespreekbaar te maken met de leidinggevende. Jammer, volgens Bakker: “Het is belangrijk dat medewerkers toch de stap zetten om het gesprek aan te gaan. Maar leidinggevenden kunnen hen hier zeker in helpen. Zij moeten het gesprek wel faciliteren.”

Andere belangrijke onderzoeksresultaten
·         65% zag er tegenop weer aan het werk te gaan
·         61% is bang tegen dezelfde dingen aan te lopen
·         53% had het idee dat de leidinggevende de terugkeer na een burn-out niet goed had voorbereid
·         55% is bang voor een terugval na een burn-out
·         Bij 29% was de leidinggevende niet aanwezig bij de terugkeer
·         56% geeft aan dat de leidinggevende zaken niet heeft aangepast om een nieuwe burn-out te voorkomen
·         56% is na de burn-out geen andere werkzaamheden gaan doen (en is dit ook niet van plan)

Mogelijk nieuwe therapie voor depressie na jeugdtrauma

Wie een jeugdtrauma doormaakt, heeft een grotere kans op depressies op latere leeftijd. Veranderingen van ons erfelijk materiaal (het DNA) als gevolg van een jeugdtrauma, blijken daar mee te maken te hebben. Het UMC Utrecht Hersencentrum start een onderzoek om te kijken of dit proces met behulp van een voedingssupplement ook voordelig benut kan worden. Als dat lukt, is dat mogelijk een nieuwe therapie tegen depressies na een jeugdtrauma, ook op latere leeftijd.

“Eigenlijk gaat het erom dat onze veerkracht bepaald wordt door hoe we ons DNA gebruiken. Als die veerkracht is beschadigd, krijgen aandoeningen als een depressie meer kans. Die veerkracht proberen wij te herstellen”, stelt psychiater Marco Boks. Dit is – afgezien van onderzoek naar kanker – de eerste studie ter wereld waarbij het stimuleren van DNA-aanpassingen wordt ingezet voor behandeling.

Hevige stress in de kindertijd leidt tot moleculaire veranderingen in het DNA. Bij dit biologische proces, epigenetica genoemd, verandert de DNA-activiteit door omgevingsinvloeden, zoals nare ervaringen in de jeugd. Bij de meeste mensen past het DNA zich aan een jeugdtrauma aan. ”We ontdekten dat bij mensen die depressies of post traumatische stress kregen deze aanpassingen niet plaatsvonden. Dit gebrek aan aanpassing in het DNA oefent levenslang invloed uit.  De genen die zo belangrijk zijn voor onze veerkracht zijn dan eigenlijk ‘uitgezet’. Wij proberen ze met behulp van voedingssupplementen op dezelfde manier weer aan de praat te krijgen zoals veel mensen dat automatisch doen.”

Waar door deze veranderingen in eerste instantie de betreffende genen  zijn ‘uitgezet’, kan dit proces ook omgedraaid worden en genen weer ‘aanzetten’. In het onderzoek, waarvoor Boks onlangs subsidie heeft gekregen van ZonMw en de Hersenstichting, krijgen patiënten het voedingssupplement S-adenosylmethionine (SAMe) toegediend in combinatie met een wekelijkse therapie voor trauma (EMDR). Het voedingssupplement bevat essentiële lichaamseigen co-enzymen. Juist de combinatie van de trauma-therapie met voedingssupplementen moet ervoor zorgen dat de gezonde reactie op jeugdtrauma alsnog kan plaatsvinden. Hierdoor wordt de veerkracht als het ware weer hersteld.

In een studie op cellen in een reageerbuis leidde deze methode tot goede resultaten. Aan het onderzoek gaan 100 mensen deelnemen. Zij krijgen allemaal de trauma-therapie en vijftig van hen krijgen daarnaast het voedingssupplement. De overige 50 krijgen een placebo. De onderzoekers verwachten de eerste resultaten in 2020 te kunnen delen.

Voor patiënten die hun hele leven kampen met een overgevoeligheid voor psychiatrische aandoeningen zou zo’n nieuwe therapie een uitkomst zijn. Een gebruikersgroep – met vertegenwoordigers van patiëntenverenigingen – denkt mee over de inhoud en opzet van het onderzoek en is betrokken bij de uitvoering ervan. De 35-jarige Marjolein, die twee keer een depressie heeft gehad, is een van de groepsleden: “De invloed van mijn jeugd op mijn klachten was voor mij kraakhelder. Deze nieuwe methode pakt niet de symptomen maar de oorzaak aan. Ik hoop op positieve resultaten van dit onderzoek. Dan kan ik de effecten van ervaringen in mijn jeugd eindelijk echt achter me laten.”

Schippers wil daling aantal mensen met depressie van 30 procent

Minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tekent een deal met 19 partijen om het aantal mensen met depressie fors terug te dringen. Alle partijen werken mee aan een meerjarenprogramma depressiepreventie dat minimaal vijf jaar zal lopen. Doelstelling is een forse afname van mensen met depressie in 2030 met 30 procent.

Minister Schippers: “Een depressie werkt echt diep door in je leven. Het is belangrijk dat we meer weten, eerder signaleren en het taboe doorbreken. Zodat mensen eerder hulp vragen en krijgen. Met tijdige hulp kan je zelfs voorkomen dat iemand echt in een depressie raakt. Samenwerking is dan ook cruciaal om deze ambitieuze doelstelling te halen. Ik ben heel blij dat zoveel partijen er de schouders onder willen zetten”.

Hoog risico

Het meerjarenprogramma richt zich op zes groepen mensen met een hoog risico op het ontwikkelen van depressie. Dat zijn: jongeren, jonge vrouwen, huisartsenpatiënten, werknemers met een stressvol beroep, chronisch zieken en mantelzorgers. Inzet is het vergroten van het bewustzijn, zowel bij de mensen die het aangaat als hun omgeving. Beter bereiken van hoogrisicogroepen. Beter verwijzen naar de juiste zorg en die ook goed toepassen en samenwerking tussen verschillende zorgverleners.

Beroepsgroepen, brancheorganisaties en kennisinstellingen maken de komende jaren afspraken over een sluitende aanpak en ondersteuning dichtbij mensen: op school, in de zorg, in de wijk of op het werk. Zo is er bijvoorbeeld al een e-learning module depressiepreventie voor huisartsen, Jeugdgezondheidszorg, Centra voor Jeugd en Gezin, verloskundigen en kraamzorg, zodat zij depressieve klachten op tijd herkennen.

Taboe doorbreken

In het meerjarenprogramma staat ieder jaar een andere groep centraal met een hoog risico. In 2017 zijn dat jongeren en jonge vrouwen. De jaren daarna komen andere groepen aan bod. Afgelopen najaar startte Schippers al een publiekscampagne over depressie gericht op het herkennen van signalen, het vergroten van kennis en het doorbreken van het taboe.