‘Bewegen essentieel voor mentale gezondheid, ook voor meiden’

Uit onderzoek vanuit de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijkt dat het wereldwijd slecht gaat met de mentale gezondheid van meiden tussen de 11 en 16 jaar. Ze hebben veel last van slapeloosheid, hoofdpijn en depressiviteit. Oorzaken zijn onder andere de ervaren druk door schoolwerk, maar ook de gevolgen van elkaar minder fysiek zien tijdens de coronacrisis. Daarnaast weten we dat slechts 39 procent van de jongeren tussen de 12 en 17 jaar voldoen aan de beweegrichtlijnen. Regelmatig bewegen kan bijdragen aan verschillende aspecten van mentaal welbevinden, zoals plezier, geluksgevoelens en het omgaan met stress. 

Naast de welbekende fysieke voorbeelden heeft bewegen een positief effect op mentale gezondheid. Zo is bekend dat sport en bewegen zorgen voor verminderen of voorkomen van angstige en depressieve gevoelens. Daarbij zorgt bewegen voor een uitlaatklep en verbeterde stressregulatie. Ook is bekend dat sport en bewegen door sociale interactie, sociale steun en samen bewegen het mentale welbevinden een boost geeft. 

Deze effecten geven duidelijk aan wat het belang van bewegen is voor meiden tussen de 11 en 16 jaar. In vergelijking met jongens richt het beweeggedrag van meiden zich vaker op interactie en plezier hebben. Belangrijke beweegredenen voor meiden zijn daarom ‘gezelligheid’ en ‘samen sporten’ in plaats van het competitie-element. In het aanbieden van sport- en beweegactiviteiten voor meiden is het dus van groot belang om hier rekening mee te houden. 

Voor de meiden die veel druk ervaren door bijvoorbeeld schoolwerk is het dan ook essentieel dat zij kunnen (blijven) sporten en bewegen. Het helpt zowel hun mentale als fysieke gezondheid. Om aan te sluiten bij de leefwereld van meiden is het belangrijk om met ze in gesprek te gaan, hun motieven en belemmeringen te ontdekken en de sport- en beweegactiviteiten daarop af te stemmen. Ook is het voor meiden belangrijk dat ze zich veilig voelen in de activiteiten die worden georganiseerd.

Mantelzorg voor naaste met dementie minder zwaar in kleinschalige woonvorm

Mantelzorgers van mensen met dementie die in een kleinschalige woonvorm wonen, vinden hun zorgtaken minder zwaar dan mantelzorgers wiens naaste met dementie in een verpleeghuis woont. Dat terwijl ze meer taken moeten uitvoeren.

Dat blijkt uit een onderzoek dat bureau Ruigrok heeft uitgevoerd in opdracht van zorgorganisatie Dagelijks Leven, dat in heel Nederland kleinschalige woonhuizen heeft waar maximaal 22 mensen met dementie zelfstandig wonen. Van de ondervraagden wiens naaste bij Dagelijks Leven woont, vindt 82 procent de mantelzorg minder zwaar sinds de verhuizing. Bij mantelzorgers wiens naaste naar een verpleeghuis is verhuisd, is dat slechts 47 procent. Over het algemeen vindt ruim een kwart van de ondervraagden de mantelzorg voor mensen met dementie zwaar als die thuis wonen of in een verpleeghuis. Bij mantelzorgers in de kleinschalige woonvorm is dat een op de vijf.

Die uitkomst is opmerkelijk omdat mantelzorgers bij Dagelijks Leven juist meer taken uitvoeren dan mensen die thuis of in een verpleeghuis voor hun naaste zorgen. Ze helpen onder meer met financiën, afspraken, inkopen en overleggen met zorgverleners. Wel blijkt uit het onderzoek dat ze zich minder hoeven te bemoeien met zorg- en huishoudelijke taken. Daarom zijn ze minder tijd kwijt aan de mantelzorg, gemiddeld acht uur per week. Mensen die hun naaste thuis verzorgen zijn daar gemiddeld twaalf uur mee bezig, mensen van wie de naaste in een zorginstelling woont gemiddeld tien uur. “In een kleinschalige woonvorm kunnen mantelzorgers zich meer focussen op de leuke activiteiten en hebben ze meer rust om samen koffie te drinken en gezellig te kletsen. Voorheen kwam je vooral om de was te doen, te koken en dergelijke”, zegt woordvoerder Martijn Smouter van Dagelijks Leven.

Uit de individuele interviews, die naast het kwantitatieve onderzoek zijn gehouden, zijn volgens hem drie mogelijke verklaringen te trekken. Door het personeelstekort in verpleeghuizen moeten mantelzorgers vaker bijspringen. Ook ligt de focus in het verpleeghuis meer op zorg en minder op welzijn, waardoor de mantelzorger zich genoodzaakt voelt zelf voor persoonlijke aandacht en activiteiten te zorgen. Een derde verklaring is dat mantelzorgers met naasten in een verpleeghuis niet verwachten dat ze nog zo vaak bij moeten springen en in kleinschalige woonvormen wel. Daardoor voelt het zwaarder.

Uit het onderzoek blijkt ook dat 43 procent van de mantelzorgers in een zorginstelling en 35 procent van mantelzorgers bij Dagelijks Leven vinden dat het beter was geweest als hun naaste eerder was verhuisd. Dat duidt erop dat mensen met dementie te lang thuis blijven wonen. ,,Dat staat haaks op het huidige regeringsbeleid dat mensen zo lang mogelijk thuis wil laten wonen. Dit laat zien dat er dan grotere druk op de mantelzorgers komt”, zegt Smouter.

Dagelijks Leven opende onlangs haar honderdste huis. De zorgorganisatie biedt kleinschalige woonvormen waar mensen met dementie een eigen studio hebben, maar bij elkaar onder één dak wonen, terwijl er 24/7 zorg aanwezig is. Bewoners delen er hun eigen dag in en kunnen samen activiteiten doen. Het is volgens Smouter de enige landelijke particuliere aanbieder van dementiezorg in Nederland die zo betaalbaar is dat ook mensen met alleen AOW er kunnen wonen. De ondervraagde mantelzorgers waarderen vooral het thuisgevoel, het sociale karakter en het behoud van zelfstandigheid.

‘Wél gezond’ is beter dan ‘níet ziek’ in vaccinatievoorlichting

Vaccinatie zorgt ervoor dat je níét ziek wordt, dat er géén pandemie uitbreekt en dat er géén honderdduizend doden vallen. Of: vaccinatie zorgt ervoor dat je wél ziek wordt, dat je bijwerkingen krijgt of dat je komt te overlijden. Nieuw onderzoek van de Radboud Universiteit laat zien dat het kan helpen om bij vaccinatievoorlichting te focussen op wat er wél gebeurt, in plaats van op wat er níet gebeurt. ‘Professionals kunnen beter benadrukken dat een vaccinatie je gezondheid helpt, in plaats van zeggen dat je er niet ziek van wordt.’

Risico’s en gevolgen van het wel of niet nemen van een vaccin kunnen moeilijk te bevatten zijn. Mensen vertrouwen daarom vaak onbewust op mentale tactieken om vaccinatie-informatie te begrijpen en een beslissing te maken. Die tactieken kunnen tot beoordelingsfouten leiden. ‘In vaccinatiecommunicatie wordt volgens ons één zeer relevante beoordelingsfout over het hoofd gezien’, zegt communicatiewetenschapper Lisa Vandeberg, die samen met collega’s Gijsje Maas en Anita Eerland het onderzoek uitvoerde. ‘We weten dat mensen meer moeite hebben met het verwerken van informatie over gebeurtenissen die níét plaatsvinden dan over gebeurtenissen die wél plaatsvinden. In het geval van vaccinatie betekent dit dat gevolgen die plaatsvinden (ik werd er ziek van, ik had allerlei bijwerkingen) beter worden onthouden en belangrijker worden gevonden dan informatie over gevolgen die niet plaatsvinden (ik had nergens last van).’

Consequenties voor vaccinatiecommunicatie
In de wetenschap wordt deze beoordelingsfout het Feature Positive Effect genoemd. Het heeft volgens de onderzoekers mogelijk belangrijke consequenties voor vaccinatiecommunicatie. Vandeberg: ‘De werking van een vaccin wordt meestal uitgelegd in termen van wat er níét gebeurt: mensen worden niet ziek, er is geen pandemie, er zijn geen honderdduizend doden. Terwijl vaccinatie-kritische berichten – bijvoorbeeld op sociale media en fora – juist vaak een verband leggen tussen vaccinatie en wat er wél gebeurt: mensen worden wel ziek, krijgen bijwerkingen of komen te overlijden. Wij hadden het idee dat dit veel verschil kan maken.

Glasheldere resultaten
Vandeberg, Maas en Eerland legden aan 350 deelnemers een fictief nieuwsverhaal voor over een gevaarlijk niet-bestaand virus waarvoor een vaccin was gevonden, gevolgd door zestien krantenkoppen waarin gespeeld werd met de aan- en afwezigheid van de gevolgen van het nemen van het vaccin. Aan de deelnemers vroegen ze welke krantenkoppen zij zich herinnerden en welke van belang waren voor het vormen van hun mening over het vaccin. De resultaten zijn glashelder: aanwezige gevolgen – of die nu negatief (koorts) of positief (een veilig gevoel) zijn – worden beter onthouden én belangrijker gevonden voor een oordeel over het vaccin dan afwezige gevolgen (geen koorts of geen veilig gevoel).

Aanbeveling
De resultaten van het onderzoek dragen bij aan het verklaren van de aantrekkingskracht van vaccinatie-kritische informatie. Tegelijkertijd geven ze concrete en praktische aanwijzingen voor het verbeteren van vaccinatiecommunicatie. Vandeberg: ‘Benadruk wat er wel gebeurt als gevolg van vaccinatie (bijvoorbeeld het helpen van je gezondheid), in plaats van wat er niet gebeurt (geen ziekte).’