Ruim 700 euro eigen betalingen aan zorg in 2015

In 2015 hebben volwassenen gemiddeld 711 euro aan gebruikte zorg betaald. Dit is het totaal van het betaalde eigen risico, eigen bijdragen, en overige niet vergoede uitgaven aan gezondheid en zorg. Per persoon kunnen de uitgaven sterk verschillen. De eigen betalingen vormden 11 procent van de totale zorguitgaven in dat jaar. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers over de eigen betalingen in de zorg. De cijfers over 2016 zijn nog niet bekend.
De gemiddelde eigen betalingen aan gezondheid, zorg en welzijn waren in 2015 iets lager dan in 2014. De algemene trend is stijgend, in lijn met de totale zorguitgaven. Vergeleken met vijftien jaar geleden is het gemiddelde bedrag 80 procent hoger. Vooral de betalingen vanuit het eigen risico, dat in 2008 is ingevoerd, en de eigen bijdragen aan langdurige zorg zijn toegenomen. Deze uitgaven stegen van gemiddeld ruim 100 euro in 2000, naar bijna 400 euro in 2015. De overige eigen uitgaven aan zorg, zoals voor tandartsen of medicijnen bij de drogist, bleven rond de 300 euro per jaar schommelen.

Aandeel eigen betalingen in totale zorguitgaven gelijk aan dat in 2000

Huishoudens betaalden in 2015 in totaal 9,7 miljard euro aan zorg en welzijn uit eigen zak, op een totaal van 90,6 miljard euro. De eigen betalingen vormden daarmee 11 procent van de totale zorguitgaven in 2015. Dat percentage is gelijk aan dat in 2000. In de tussenliggende jaren is het aandeel aanvankelijk kleiner geworden, om vanaf 2008 weer toe te nemen. In dat jaar werd het eigen risico ingevoerd. Het aandeel van de overige eigen betalingen daalde tot 2009 en bleef daarna stabiel, op ongeveer 5 procent van de zorguitgaven. Het percentage van de eigen betalingen via het verplichte eigen risico plus de eigen bijdrage langdurige zorg, is toegenomen van bijna 4 procent in 2000 tot 6 procent in 2015.

De eigen betalingen vormden in 2015 met gemiddeld 3,3 procent een wat groter deel van alle consumptieve bestedingen van huishoudens dan vijftien jaar geleden (2,3 procent).

Eigen betalingen vooral aan ziekenhuizen, specialisten en medicijnen

Van de 9,7 miljard euro aan eigen betalingen ging 20 procent naar ziekenhuizen en specialisten, en 19 procent naar aanbieders van medicijnen. Andere groepen waar relatief veel eigen betalingen heen gaan zijn overige aanbieders (zoals tandartsen), hulpmiddelen, en de ouderenzorg (via de eigen bijdragen in de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning).

Groter deel uitgaven medicijnen uit eigen zak

In 2000 werd 20 procent van de totale uitgaven aan medicijnen via apotheek, drogist of supermarkt zelf betaald, in 2015 is dat opgelopen tot 34 procent. Die stijging komt vrijwel volledig voor rekening van de betalingen via het eigen risico, aan geneesmiddelen op recept. Het aandeel overige eigen betalingen aan medicijnen via apotheek, drogist en supermarkt is vrijwel gelijk gebleven. Ook de eigen betalingen aan ziekenhuizen en medisch specialisten stegen vooral doordat een deel nu via het eigen risico wordt betaald.
Van de uitgaven aan hulpmiddelen (van bril tot scootmobiel) kwam 45 procent uit eigen betalingen, iets minder dan in 2000. Een klein deel daarvan gaat via het eigen risico.

Informatie voorkomt oplopende zorgkosten, niet marktwerking

De zorg kan beter én goedkoper worden als ziekenhuizen medische informatie, patiëntgegevens en bedrijfsinformatie slim combineren. Wel zijn er nog obstakels om deze informatie te gebruiken. Dit blijkt uit het eerste uitvoerige onderzoek naar het gebruik van ‘case mix informatie’ door ziekenhuismanagement. Econoom Franck Asselman volgde de invoering ervan in het Academisch Medisch Centrum tussen 2006 en 2014. Eind maart promoveert hij aan de Radboud Universiteit.

De uit de pan rijzende zorgkosten, de verminderde toegang tot de zorg, de hoge eigen bijdragen – wel marktwerking, of juist niet: niet alleen omdat het is verkiezingstijd is woedt het zorgdebat in Nederland.

Franck Asselman ontwierp en evalueerde voor zijn werkgever, het AMC, zoals bekend een groot academisch ziekenhuis in Amsterdam, instrumenten om keuzes te maken op grond van verschillende soorten informatie. ‘Wij noemen het case-mix informatie,’ legt Asselman uit. ‘Hierbij leg je een manager een combinatie voor van medische informatie, bijvoorbeeld over diagnoses en behandelingen, patiëntgegevens zoals leeftijd, geslacht en woonplaats én bedrijfsinformatie over de kosten en vergoeding voor een behandeling.’

Samenwerken mag soms niet
Deze case-mix informatie lijkt een oplossing lijkt om het top medisch en niet-medisch management betere keuzes te laten maken over wie ze het beste kunnen behandelen en hoe. Maar om verschillende redenen kan deze aanpak nog onvoldoende worden benut. ‘Artsen willen hun keuzes afstemmen met partners in de regio – maar dat mag niet zomaar van de mededingingsregels,’ zegt Asselman. ‘Ze lopen bijvoorbeeld het risico op een inval van de mededingingsautoriteit vanwege het vermoeden van het maken van afspraken. Dat klinkt misschien als een grap, maar dat is het niet.’ Dit staat haaks op waar academische ziekenhuizen voor staan: samenwerken en in overleg werken aan beste oplossing voor patiënt.

Gebrek aan informatie
Een ander probleem is dat ziekenhuizen ieder jaar met alle verzekeraars afspraken moeten maken over prijzen en omzetvolume. ‘Soms weet je pas in oktober wat je waarvoor krijgt. Het ziekenhuis kan dus tien maanden lang niet kiezen op basis van vergoeding,’ zegt Asselman.
Ook in de ziekenhuizen zelf zijn er problemen. Medische managers hebben niet altijd de kennis om de case-mix informatie te interpreteren, ze zijn er immers niet voor opgeleid. Of de kwaliteit van de data is niet op orde.

Door marktwerking wel meer zicht op zorg
Toch is het al een hele verbetering vergeleken met de oude situatie, vindt de econoom. Case-mix informatie leidt tot nieuwe inzichten in patiëntengroepen, een betere dialoog over beleidskeuzes, procesoptimalisatie, kostenreductie, betrouwbaardere registraties en betere externe verantwoording.
‘Sinds de invoering van de marktwerking hebben we meer zicht op de inhoud van de zorg en weten we beter wat de kosten en baten van behandelingen zijn. Dit levert echt betere beslissingen op en besparing op de zorgkosten waar het kan.’

The design and implementation of a case-mix information system in Dutch university medical center: A design-oriented approach
Promotie drs. F.F. Asselman, 29 maart 2017
Promotores prof. dr. E.G.J. Vosselman, prof. dr. R.J. De Haan

Schippers wil daling aantal mensen met depressie van 30 procent

Minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tekent een deal met 19 partijen om het aantal mensen met depressie fors terug te dringen. Alle partijen werken mee aan een meerjarenprogramma depressiepreventie dat minimaal vijf jaar zal lopen. Doelstelling is een forse afname van mensen met depressie in 2030 met 30 procent.

Minister Schippers: “Een depressie werkt echt diep door in je leven. Het is belangrijk dat we meer weten, eerder signaleren en het taboe doorbreken. Zodat mensen eerder hulp vragen en krijgen. Met tijdige hulp kan je zelfs voorkomen dat iemand echt in een depressie raakt. Samenwerking is dan ook cruciaal om deze ambitieuze doelstelling te halen. Ik ben heel blij dat zoveel partijen er de schouders onder willen zetten”.

Hoog risico

Het meerjarenprogramma richt zich op zes groepen mensen met een hoog risico op het ontwikkelen van depressie. Dat zijn: jongeren, jonge vrouwen, huisartsenpatiënten, werknemers met een stressvol beroep, chronisch zieken en mantelzorgers. Inzet is het vergroten van het bewustzijn, zowel bij de mensen die het aangaat als hun omgeving. Beter bereiken van hoogrisicogroepen. Beter verwijzen naar de juiste zorg en die ook goed toepassen en samenwerking tussen verschillende zorgverleners.

Beroepsgroepen, brancheorganisaties en kennisinstellingen maken de komende jaren afspraken over een sluitende aanpak en ondersteuning dichtbij mensen: op school, in de zorg, in de wijk of op het werk. Zo is er bijvoorbeeld al een e-learning module depressiepreventie voor huisartsen, Jeugdgezondheidszorg, Centra voor Jeugd en Gezin, verloskundigen en kraamzorg, zodat zij depressieve klachten op tijd herkennen.

Taboe doorbreken

In het meerjarenprogramma staat ieder jaar een andere groep centraal met een hoog risico. In 2017 zijn dat jongeren en jonge vrouwen. De jaren daarna komen andere groepen aan bod. Afgelopen najaar startte Schippers al een publiekscampagne over depressie gericht op het herkennen van signalen, het vergroten van kennis en het doorbreken van het taboe.