Experiment borende mondhygiënist schaadt patiëntenzorg

Afbeeldingsresultaat voor dentistHet besluit van minister Bruins voor Medische Zorg om mondhygiënisten buiten de tandarts om gaatjes te laten boren is buitengewoon onverstandig en schadelijk voor de zorg aan de patiënt. Dat stelt Wolter Brands, voorzitter van tandartsenvereniging KNMT.

De minister maakte vandaag bekend een 5-jarig experiment aan te gaan waarbij mondhygiënisten zonder tussenkomst van een tandarts in een eigen praktijk ‘kleine’ gaatjes mogen boren, röntgenfoto’s mogen maken en verdoving mogen toedienen. Brands noemt dit onbegrijpelijk. “Het is de klok terugdraaien. Overal in de zorg wordt ingezet op samenwerking terwijl de minister met deze plannen juist stimuleert dat zorgverleners in de mondzorg los van elkaar gaan werken. Dat maakt de zorg voor de patiënt inefficiënt, onoverzichtelijk en brengt bovendien risico’s met zich mee. Een solistisch werkende mondhygiënist kan niet de juiste zorg leveren op het moment dat een op het oog ‘eenvoudig’ gaatje dieper blijkt te zijn dan gedacht. Ook kan de mondhygiënist geen spoedbehandeling verlenen bij pijn of complicaties. Dat is beslist niet waar je als patiënt op zit te wachten. Wij hebben dit in onze gesprekken met de minister ook nadrukkelijk benoemd.”

Brands: “Mondzorg is teamwork, zoals dat voor de hele zorg geldt. Mondhygiënisten maken daar onlosmakelijk deel van uit en dat moet wat ons betreft vooral zo blijven. De mondhygiënist is namelijk broodnodig als het gaat om voorlichting over mondverzorging, preventie en de behandeling van tandvleesproblemen. Zoals de tandarts binnen het team degene is die de diagnose stelt, het zorgplan maakt en inhoudelijk de regie heeft over de behandeling. Juist door die goede samenwerking slagen we er in te voorkomen dat er überhaupt geboord moet worden.”

De tandartsen staan niet alleen in hun bezwaren tegen de plannen van de minister. Ook de universitaire opleidingen (die zowel tandartsen als mondhygiënisten opleiden), de zorgverzekeraars én veel mondhygiënisten zelf hebben bedenkingen bij de plannen van de minister. Uit onderzoek van Patiëntenfederatie Nederland blijkt daarnaast dat ook de patiënt er niet op zit te wachten en wil dat de tandarts boort. “Wij begrijpen dan ook niet waarom de minister dit plan doorzet, wetend dat het de zorg niet beter maakt en er weinig draagvlak voor is,” aldus Brands.

De KNMT en haar ruim 10.000 leden voeren de komende tijd campagne om de Tweede Kamer ertoe te bewegen minister Bruins alsnog op andere gedachten te brengen. Onder het motto ‘Mondzorg = teamwork” dragen ze in hun eigen praktijk uit dat de plannen van de minister niet in het belang van de patiënt zijn. Brands: “Wij zeggen: samenwerking in de mondzorg onder medisch leiderschap van de tandarts is de beste waarborg voor optimale patiëntenzorg.”

Blokhuis: wachttijd voor GGZ moet omlaag

Het lijkt niet te lukken om de wachttijden in de GGZ terug te brengen binnen de daarvoor geldende normen1 voor 1 juli 2018. Dat blijkt uit de rapportage die de NZa in opdracht van staatssecretaris Blokhuis heeft gemaakt. Volgens de staatssecretaris blijken de afspraken die de partijen in juli vorig jaar hebben gemaakt te ambitieus. “Ik ben daarover zeer teleurgesteld. Vooral voor de mensen die soms vele maanden moeten wachten op hulp en zorg. Ik ga alle betrokken partijen stevig aanspreken op hun verantwoordelijkheid. De oplossing is niet simpel, maar ik zie echt wel dat er meer kan. Ik ga hierover op zeer korte termijn in gesprek met aanbieders, verzekeraars en de toezichthouders,” aldus de staatssecretaris.

Meer hulp tijdens wachten op zorg

Blokhuis vindt dat de kwaliteit van de geestelijke gezondheidzorg ook moet gaan over de periode dat mensen wachten op zorg, de aanmeldwachttijd. “Er zijn GGZ instellingen die hele goede resultaten laten zien met de manier waarop zij patiënten ondersteunen tijdens het wachten op behandeling. Als het in die instellingen kan, moet dat op andere plekken ook kunnen. Ik verwacht van aanbieders dat zij hier veel meer werk van maken.”

Blokhuis heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd gevraagd om te kijken of de wachttijd voor aanmelden kan worden opgenomen in het toetsingskader voor de beoordeling van de kwaliteit.

De NZa heeft gerichte controles aangekondigd bij zorgverzekeraars, die verantwoordelijk zijn voor de zorginkoop en de wachttijdbemiddeling.

Mensen actief informeren over wachttijdbemiddeling

De staatssecretaris verwacht veel meer inspanningen van alle partijen om mensen die zich aanmelden te informeren over wachttijdbemiddeling. “De voorlichting moet echt actiever kunnen. En dat betekent dus niet alleen een regel ergens op een website. Maar bijvoorbeeld bij een eerste gesprek kan een aanbieder ook al melden dat een verzekeraar kan helpen bij wachttijdbemiddeling.”

Sleutel ligt in regionale aanpak

De staatssecretaris stelt extra geld beschikbaar voor de zogenaamde regionale taskforces. Hiervan zijn er eind vorig jaar al 8 gestart onder leiding van KPMG. De ervaringen zijn positief. Partijen inventariseren knelpunten en zoeken naar oplossingen. Via deze aanpak wordt duidelijk wat het beste werkt zodat anderen daar ook in de praktijk mee aan de slag kunnen.

Ook voortgang

Ondanks de teleurstelling over de tussentijdse resultaten, is Blokhuis ook hoopvol over de beweging en samenwerking die op gang is gekomen. Blokhuis: “Dat mensen elkaar nu weten te vinden, zeker op regionaal niveau, is echt winst. De arbeidsmarktproblematiek lossen we daarmee niet even op. Maar je ziet mooie voorbeelden van aanbieders die wel de wachttijd weten in te korten en mensen goed helpen terwijl ze wachten. Het is mooi dat deze successen hun weg vinden van de ene naar de andere instelling. Dat moet natuurlijk in heel Nederland gebeuren.”

1De maximaal aanvaardbare wachttijd volgens de Treeknorm is 4 weken voor de aanmeldwachttijd en 14 weken voor de totale wachttijd.

Presentatie programma ‘Thuis in het verpleeghuis’

Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) presenteert vandaag het  programma ‘Thuis in het verpleeghuis’. Het programma ‘Thuis in het verpleeghuis’ geeft aan hoe de verpleeghuiszorg de komende jaren merkbaar en meetbaar verbeterd moet worden.

Alle verpleeghuizen moeten nu al aan bepaalde kwaliteits- en veiligheidsnormen voldoen, maar er zijn grote verschillen in kwaliteit tussen verpleeghuizen. Dat vraagt om een gedegen plan van alle partijen die een rol spelen in de verpleeghuiszorg. Met het programma ‘Thuis in het verpleeghuis’ gaan de partijen die betrokken zijn bij de verpleeghuiszorg aan de slag om de kwaliteit van de verpleeghuiszorg te verbeteren.

“Er wordt ontzettend hard gewerkt en op veel locaties zijn de verbeteringen al gewoon zichtbaar. Maar, de verpleeghuiszorg kan en moet merkbaar, meetbaar en voelbaar beter in elk verpleeghuis en op elke locatie,” aldus minister De Jonge. “Liefdevolle zorg, meer tijd en aandacht voor onze ouderen. Daar gaat het om.”

Sinds 2017 is het nieuwe kwaliteitskader verpleeghuiszorg van kracht. Alle verpleeghuizen en locaties moeten aan dit kwaliteitskader voldoen. Hoe dit gerealiseerd gaat worden staat in het programma ‘Thuis in het verpleeghuis’. Per jaar wordt er flink extra in de verpleeghuis geïnvesteerd. Vanaf 2021 ruim 2,1 miljard euro, waardoor de totale structurele uitgaven aan de verpleeghuiszorg oplopen tot 13 miljard per jaar. De extra investeringen zijn bedoeld om verpleeghuizen in de gelegenheid te stellen meer mensen aan te nemen en zodoende meer tijd en aandacht aan bewoners te geven. Daarover worden concrete afspraken gemaakt. Er komen daardoor in totaal zo‘n 70.000 extra mensen voor de verpleeghuiszorg.

Via kwaliteitsplannen per instelling en per locatie, waarin tussen zorgkantoren en instellingen voor verpleeghuiszorg concrete afspraken over verbetering worden gemaakt, wordt erop gestuurd dat ieder verpleeghuis in Nederland zo snel mogelijk de kwaliteit levert die nodig is.

Minister De Jonge:
“De aanpak is niet vrijblijvend, de kwaliteit voor alle bewoners en op alle locaties moet goed zijn. We moeten onszelf voortdurend de vraag stellen: ‘zou dit een verpleeghuis zijn dat ik met een gerust hart voor mijn eigen moeder zou kiezen?”

De kwaliteit van de zorg in verpleeghuizen wordt daarnaast verbeterd door te leren, te verbeteren en te innoveren. Zo wordt er structureel geld beschikbaar gesteld om te investeren in nieuwe werkwijzen en slimme technologie. Ook wordt er geïnvesteerd in het vergroten van de kennis van het personeel in de verpleeghuizen, door meer onderzoek en opleidingen mogelijk te maken. En worden de administratieve lasten en regeldruk verminderd, bijvoorbeeld door het schrappen van overbodige regels. Al deze kwaliteitsverbeteringen maken het mogelijk dat verzorgend personeel in de dagelijkse praktijk meer tijd en aandacht kan besteden aan bewoners.

Met het programma ‘Thuis in het verpleeghuis’ wordt zo de kwaliteit in ieder verpleeghuis naar een hoger niveau gebracht. Dat moet merkbaar zijn in de tevredenheidscijfers van clienten en van het personeel.

Minister De Jonge:
“Voor mij is nu het allerbelangrijkste dat elke oudere merkt dat de zorg in het verpleeghuis beter wordt. Misschien is het er anders dan in je eigen huis, maar we zijn pas klaar als elke bewoner zich thuis voelt in het verpleeghuis.”