Hoog en laag magnesiumgehalte in bloed wijst op dementie

Oudere man, magnesiumVijfenvijftigplussers met een laag of hoog magnesiumgehalte in hun bloed hebben vaker dementie dan ouderen met gemiddelde waarden. Het risico op dementie is bij een afwijkende spiegel dertig procent hoger. Dat blijkt uit onderzoek van het Erasmus MC op basis van het grootschalige bevolkingsonderzoek ERGO in Rotterdam. Voor het eerst tonen onderzoekers deze relatie aan in een studie bij mensen en vinden daarmee mogelijk een nieuwe risicofactor voor dementie. De resultaten zijn zojuist gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Neurology.

“Het is belangrijk dat deze resultaten ook worden bevestigd in andere onderzoeken, maar we zijn opgetogen over deze vinding”, zegt arts-onderzoeker Brenda Kieboom van de afdeling Epidemiologie van het Erasmus MC. “Het kan een nieuw aanknopingspunt zijn voor het behandelen of voorkomen van dementie. Bijzonder is dat we verschil zien in risico bij gezonde mensen met redelijk normale waarden. We denken dat het risico nog groter dan 30 procent kan zijn bij mensen met een magnesiumtekort of –overschot in het bloed. Daar komt bij dat magnesiumspiegels makkelijk zijn te beïnvloeden met magnesiumrijke voeding of supplementen. Magnesium speelt een belangrijke rol bij de werking van spieren en zenuwen en zit in voeding zoals spinazie, amandelen, cashewnoten, soja en zwarte bonen, granen, yoghurt en avocado’s.”

De onderzoekers volgden meer dan 9.500 gezonde mensen met een gemiddelde leeftijd van 65 jaar. Bij deze mensen werd het serumgehalte van het mineraal magnesium in het bloed gemeten. De deelnemers werden verdeeld in vijf groepen. De meeste deelnemers hadden een normaal magnesiumgehalte. Toch kreeg binnen deze groep ongeveer één op de tien mensen met een lager dan normaal (<0.79 mmol/L) of hoger dan normaal (>0.90 mmol/L) serum magnesium na acht jaar dementie. Bij de mensen met een gemiddeld magnesiumgehalte in hun bloed was dit ongeveer één op de veertien. In totaal kregen 823 deelnemers dementie.

Mede auteur en hoogleraar neuro-epidemiologie Arfan Ikram: “Belangrijk is dat we ondanks onze bevindingen nog niet kunnen zeggen of een afwijkende magnesiumspiegel een beïnvloedbare oorzaak is van dementie. Daarvoor is vervolgonderzoek nodig. Echter, ouderen slikken vaak medicijnen die de magnesiumspiegel kunnen verlagen, zoals plastabletten of maagbeschermers. Huisartsen en internisten meten meestal niet het magnesiumgehalte in het bloed van ouderen. Magnesiumwaarden zijn vrij constant, dus dit hoeft niet heel vaak, maar een check op gezonde waarden kan geen kwaad in het kader van dementie. Daar komt bij dat magnesium één van de vele oorzaken van dementie is, die vaak in samenhang en in wisselende combinaties tot de ziekte leiden.”

De publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Neurology staat online.

Geef een glimlach cadeau, actie voor vrouwen met kanker

spiegelbeeld.jpgIn februari 2018 organiseert stichting Look Good Feel Better voor de derde keer de succesvolle actie ‘Geef een glimlach cadeau’. In de maand februari geven schoonheidsspecialisten in het hele land vrouwen met kanker een gratis verwenbehandeling. Chemotherapie en andere behandelingen tegen kanker hebben vaak ontzettend veel invloed op het uiterlijk van vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat juist deze uiterlijke veranderingen ruim 75% van de vrouwen zo onzeker maken dat ze hun sociale leven op een laag pitje zetten en hun zelfvertrouwen kwijtraken. Met de actiemaand ‘Geef een glimlach cadeau’ zet stichting Look Good Feel Better zich in om deze vrouwen hun zelfvertrouwen weer terug te geven.

De kick off van Geef een glimlach cadeau vindt plaats op wereldkankerdag, zondag 4 februari. Dan zullen er een aantal behandelingen gegeven worden waar u bij aanwezig mag zijn. Vorig jaar heeft stichting Look Good Feel Better samen met 449 schoonheidsspecialisten ruim 2.000 vrouwen met kanker een glimlach mogen bezorgen! We gaan er alles aan doen om dit jaar nog meer vrouwen te bereiken. Bent u ook aanwezig bij de aftrap op 4 februari?

Vragenlijsten zinvol bij diagnose gedragsvariant frontotemporale dementie

Afbeeldingsresultaat voor Jort Vijverberg vumcMet behulp van gevalideerde vragenlijsten voor stereotiep gedrag, depressieve symptomen en apathie kan goed onderscheid worden gemaakt tussen mensen met de gedragsvariant van frontotemporale dementie (gvFTD) en die met psychiatrische aandoeningen. Dat is belangrijk, want de helft van patiënten met deze vorm van dementie krijgt ten onrechte een psychiatrische diagnose. Dat is een van de conclusies uit het proefschrift van neuroloog in opleiding Jort Vijverberg. Hij promoveerde 22 september bij VUmc.

Voor neurologen en psychiaters is het soms lastig onderscheid te maken tussen een vorm van dementie die begint met gedragsveranderingen – zoals de gedragsvariant van frontotemporale dementie (gvFTD) – en enkele psychiatrische stoornissen zoals een depressie, bipolaire stoornis of schizofrenie. Veel symptomen – zoals verlies van motivatie en verlies van empathie of sympathie – die bij beide aandoeningen voorkomen lijken erg op elkaar. Bovendien ontbreekt, voornamelijk in de psychiatrie, de mogelijkheid tot hoog specifiek aanvullend onderzoek. Denk daarbij aan een hersenscan of afwijkende eiwitten in het hersenvocht. Als gevolg daarvan krijgt een relatief hoog percentage (50%) van de patiënten met deze vorm van dementie, gvFTD, ten onrechte een psychiatrische diagnose.

Zelfde rondje lopen
Vijverberg volgde 137 patiënten gedurende twee jaar. De patiënten hadden gedragsveranderingen, bestaande uit apathie, ontremming en/of dwangmatig of stereotype gedragingen (zoals altijd hetzelfde rondje lopen of dezelfde gerechten eten). Hij concludeerde dat met behulp van gevalideerde vragenlijsten voor stereotiep gedrag, depressieve symptomen en apathie goed onderscheid kan worden gemaakt tussen mensen met gvFTD en die met psychiatrische aandoeningen.

Hersenvocht
Daarnaast is het advies om altijd beeldvorming te verrichten bij patiënten met gedragsveranderingen. In specifieke gevallen, waarin de hersenscans niet overtuigend zijn, pleit Vijverberg voor genetisch onderzoek of onderzoek van het hersenvocht van de patiënt. Er zijn namelijk genetische mutaties bekend voor gvFTD, net als specifieke eiwitten in het hersenvocht die meer verhoogd kunnen zijn bij mensen met gvFTD in vergelijking met mensen met psychiatrische aandoeningen.

Tot slot adviseert Vijverberg bij deze patiëntengroep om de combinatie van een multidisciplinaire aanpak (met een neuroloog en psychiater) en een langdurige follow-up toe te passen, zolang er geen 100% zekere diagnose gesteld kan worden met het aanvullend onderzoek.

Lees hier het gehele proefschrift van Jort Vijverberg